Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
29 september 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij was veroordeeld voor het niet naleven van de gedoogvoorwaarden bij de handel in een coffeeshop. Het cassatieberoep betrof onder meer de vraag of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoud van het hofsoordeel niet tot vernietiging konden leiden, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie wel gegrond was. De stukken waren te laat door het hof ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad vond plaats meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest dat de strafoplegging betrof en verminderde de opgelegde taakstraf van 240 uren naar 216 uren, en de vervangende hechtenis van 120 dagen naar 108 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De taakstraf en vervangende hechtenis zijn verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.