Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
29 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de betrokkene tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 februari 2018, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het voordeel betrof opbrengsten uit de handel in een coffeeshop die zich niet aan de gedoogvoorwaarden hield.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte cassatiemiddelen beoordeeld. De klachten over de bewezen verklaarde periode en het geschatte voordeel uit omzetverzwijging konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro, omdat het niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling.
Een cassatiemiddel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en constateerde dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Desondanks verbindt de Hoge Raad hieraan geen rechtsgevolg, mede omdat in de samenhangende strafzaak compensatie zal worden toegepast.
De Hoge Raad verwerpt het beroep derhalve en bevestigt het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.