ECLI:NL:HR:2020:146

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2020
Publicatiedatum
29 januari 2020
Zaaknummer
18/04755
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:296 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens dringend eigen gebruik bij renovatie

In deze zaak stond de vraag centraal of de verhuurder de huurovereenkomst van bedrijfsruimte terecht mocht beëindigen wegens dringend eigen gebruik in het kader van een renovatie. De huurder stelde dat renovatie ook mogelijk was zonder beëindiging van de huurovereenkomst, waarbij een belangenafweging aan de orde was op grond van artikel 7:296 lid 3 BW Pro.

De procedure begon bij de kantonrechter te Amsterdam met vonnissen in 2015 en 2016, waarna het gerechtshof Amsterdam in 2017 en 2018 arresten wees. De Hoge Raad werd in cassatie gevraagd het oordeel van het hof te toetsen.

De Hoge Raad heeft de klachten van de huurder niet ontvankelijk geacht voor vernietiging van het hofarrest en het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad vond geen noodzaak om de motivering te geven omdat het oordeel niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad veroordeelde de eiser tevens in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Snijders, Tanja-van den Broek, Wattendorff en uitgesproken door du Perron op 31 januari 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de huurovereenkomst mag worden beëindigd wegens dringend eigen gebruik in verband met renovatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/04755
Datum31 januari 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: M.E.M.G. Peletier,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: R.L.M.M. Tan.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 4485032 CV EXPL 15-25968 van de kantonrechter te Amsterdam van 14 december 2015 en 22 augustus 2016;
de arresten in de zaak 200.200.402/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 december 2017 en 14 augustus 2018.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door J.B.B. Heinen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van deze arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 400,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
31 januari 2020.