ECLI:NL:HR:2020:1458

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 2020
Publicatiedatum
21 september 2020
Zaaknummer
18/00987
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 lid 2 sub 2 SrArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase bij medeplegen diefstal met geweld

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van diefstal met geweld, zoals bedoeld in artikel 312 lid 2 sub Pro 2 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Tijdens de cassatieprocedure werd een van de twee cassatiemiddelen ingetrokken nadat het verzuim dat daaraan ten grondslag lag was hersteld.

Het tweede cassatiemiddel klaagde terecht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. De Hoge Raad oordeelde dat deze overschrijding een vermindering van de opgelegde taakstraf rechtvaardigt.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat van de taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis. De taakstraf werd verminderd van 180 naar 162 uren en de vervangende hechtenis van 90 naar 81 dagen. Voor het overige werd het beroep verworpen. Dit arrest bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn in cassatie kan leiden tot strafvermindering, tenzij de verdachte door eigen proceshouding langer dan redelijk onder dreiging van strafvervolging heeft moeten leven.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/00987
Datum22 september 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2018, nummer 21/006422-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur twee cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het eerste cassatiemiddel is later ingetrokken.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat de hoogte van de opgelegde straf betreft en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
2.3
Opmerking verdient het volgende. Gelet op de omstandigheden genoemd in de conclusie van de advocaat-generaal – die er in de kern op neer komen dat het verzuim waarop het eerste cassatiemiddel zich richtte, na indiening van de cassatieschriftuur is hersteld, en dat als gevolg daarvan dit cassatiemiddel door de verdachte is ingetrokken – is naar het oordeel van de Hoge Raad in dit geval geen sprake van de situatie als bedoeld in zijn arrest van 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen dat de verdachte niet met succes kan klagen over een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase indien de verdachte kennelijk geen (cassatie)klachten heeft over de bestreden uitspraak noch over de behandeling van de zaak door de feitenrechter, en hij tot op zekere hoogte door de eigen proceshouding langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 162 uren, subsidiair 81 dagen hechtenis, belopen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 september 2020.