Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
15 september 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de diefstal van elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij centraal. De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor het op 19 december 2016 wederrechtelijk wegnemen van stroom die toebehoorde aan Liander N.V. De bewijsvoering bestond uit metingen van Liander, het aantreffen van hennepplanten in de gehuurde woning en technische rapporten.
Het hof concludeerde dat de verdachte de woning had gehuurd met het oogmerk hennepplanten aanwezig te hebben en dat hij zich willens en wetens blootstelde aan de kans dat de kwekerij gepaard ging met diefstal van elektriciteit. Echter, het hof stelde ook vast dat niet was bewezen dat de verdachte daadwerkelijk betrokken was bij de teelt zelf.
De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring dat de verdachte zelf elektriciteit had weggenomen niet zonder meer uit de bewijsvoering kon worden afgeleid. De motivering van het hof was ontoereikend om deze bewezenverklaring te dragen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de diefstal van elektriciteit en de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling.
De overige klachten van de verdachte werden verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 15 september 2020.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de bewezenverklaring en strafoplegging.