ECLI:NL:HR:2020:137

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
28 januari 2020
Zaaknummer
18/04681
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.19.1 Wet dierenArt. 1.1 Wet dierenArt. 2.1 Wet dierenArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in economische zaak medeplegen overtreding Wet dieren

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.19.1 van de Wet dieren. De verdachte werd verdacht van het opzettelijk invoeren van een grote hoeveelheid verboden groeihormoon voor dieren, waarbij met een mededader werd afgesproken dat op de factuur een andere benaming en waarde van de zendingen zou worden vermeld.

De centrale juridische vraag was of de stof 17 bèta-oestradiol in pure vorm als grondstof moet worden aangemerkt en niet als diergeneesmiddel in de zin van artikel 1.1 van de Wet dieren. De Hoge Raad oordeelde dat het niet nodig was om op deze vraag in te gaan, omdat de klachten van het cassatieberoep niet konden leiden tot vernietiging van het hofarrest.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde dit advies zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president J. de Hullu en raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering op 28 januari 2020.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van overtreding van de Wet dieren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04681 E
Datum28 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 24 oktober 2018, nummer 21/000996-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 januari 2020.