Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1333

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
25 augustus 2020
Zaaknummer
19/03330
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 26.1 WWMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 36f SrArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak inzake vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel

In deze strafzaak ging het om een liquidatiepoging in een woonwijk in De Meern in 2014, waarbij de verdachte werd verdacht van medeplegen van poging tot moord en medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapen en munitie. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte en legde een schadevergoedingsmaatregel op, waarbij vervangende hechtenis werd toegepast bij niet-betaling.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad beoordeelde de cassatiemiddelen en verwierp deze, waarbij geen nadere motivering werd gegeven omdat de klachten niet relevant waren voor de rechtsontwikkeling. Ambtshalve beoordeelde de Hoge Raad de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte vervangende hechtenis had toegepast en vernietigde het arrest voor zover dit betrekking had op vervangende hechtenis. De Hoge Raad verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:HR:2020:914) en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover vervangende hechtenis is toegepast en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03330
Datum25 augustus 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juli 2019, nummer 21-006847-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben M.E. van der Werf en D. Bektesevic, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.
3.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 augustus 2020.