Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
28 januari 2020.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Het hof had bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening gehouden met de opbrengst van de hennep, waarbij de betrokkene klaagde dat restanten hennep in droognetten niet waren meegewogen.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht niet tot vernietiging van het hofuitspraak kan leiden en zag geen noodzaak tot nadere motivering, gelet op artikel 81 lid 1 RO Pro. Daarnaast werd een tweede cassatiemiddel gegrond verklaard, waarin werd gesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden door late inzending van stukken door het hof.
Echter, de Hoge Raad verbond aan deze termijnoverschrijding geen rechtsgevolg in deze zaak, omdat in de samenhangende strafzaak dezelfde termijnoverschrijding wordt gecompenseerd. Daarom werd het beroep verworpen en bleef het hofuitspraak in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.