ECLI:NL:HR:2020:125

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 januari 2020
Publicatiedatum
27 januari 2020
Zaaknummer
18/01754
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 198 SrArt. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over onttrekking aan beslag en redelijke termijn in strafzaak

In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet gelegd beslag had onttrokken door de deurwaarder niet te informeren over de locatie van een auto en deze ook niet ter beschikking te stellen. Het hof oordeelde dat het beslag formeel rechtmatig was gelegd.

Verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad beoordeelde twee middelen: het eerste werd zonder nadere motivering verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, maar gelet op de geringe straf (taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis) en de mate van overschrijding, werden hieraan geen rechtsgevolgen verbonden.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van taakstraf en subsidiaire hechtenis blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/01754
Datum28 januari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 7 februari 2018, nummer 21/002419-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 januari 2020.