ECLI:NL:HR:2020:1249

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2020
Publicatiedatum
8 juli 2020
Zaaknummer
19/01228
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 4:34 Wet op het financieel toezicht
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt arrest hof in zaak bijzondere zorgplicht bank bij hypothecaire geldlening

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam dat de bijzondere zorgplicht van Rabobank in het kader van een hypothecaire geldlening betrof. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het hof Amsterdam voor het geding in feitelijke instanties.

De klachten van eiser tegen het arrest van het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze leiden niet tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de beoordeling geen vragen betreft die relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van Rabobank zijn begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris, vermeerderd met wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof Amsterdam.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/01228
Datum10 juli 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: M.A.M. Wagemakers,
tegen
1. RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna gezamenlijk in enkelvoud: Rabobank,
advocaat: J.W.M.K. Meijer.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/15/221804/HA ZA15-92 van de rechtbank Noord-Holland van 20 april 2016;
het arrest in de zaak 200.195.534/01 van het gerechtshof Amsterdam van 18 december 2018.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Rabobank heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatie- beroep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
10 juli 2020.