Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
4.Beslissing
7 juli 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging doodslag, poging zware mishandeling, beschadiging en diefstal. De klachten van verdachte over voorwaardelijk opzet en medeplegen werden niet gegrond verklaard.
De Hoge Raad stelde ambtshalve vast dat het hof de verdachte verplichtingen had opgelegd om schadevergoedingen aan slachtoffers te betalen, met vervangende hechtenis bij niet-betaling. De Hoge Raad vernietigde dit deel van het arrest omdat de toepassing van vervangende hechtenis niet in overeenstemming was met de rechtspraak, verwijzend naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2020:914).
Vervolgens bepaalde de Hoge Raad dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee het hofarrest grotendeels in stand bleef.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel; gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.