ECLI:NL:HR:2020:1220

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
2 juli 2020
Zaaknummer
18/05548
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 lid 2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6:4:20 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak inzake schadevergoedingsmaatregel en vervangende hechtenis bij mishandeling met zwaar letsel

In deze strafzaak tegen de verdachte, die werd veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, heeft het gerechtshof Amsterdam een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij bij niet-betaling vervangende hechtenis werd toegepast.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwierp de klachten zonder inhoudelijke motivering, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad nam vervolgens ambtshalve het oordeel dat de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel niet correct was, in lijn met een eerdere beslissing (ECLI:NL:HR:2020:914). De Hoge Raad vernietigde daarom dit deel van het hofarrest en bepaalde dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro.

Het beroep van de verdachte werd voor het overige verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef behalve voor het onderdeel vervangende hechtenis.

Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van sancties bij niet-nakoming van schadevergoedingsmaatregelen in strafzaken.

Uitkomst: Het hofarrest wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast; gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast als sanctie bij niet-betaling van schadevergoedingsmaatregelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/05548
Datum7 juli 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2018, nummer 23/001305-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.
3.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2020.