Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
30 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandeling op 26 februari 2017 te Rotterdam waarbij het slachtoffer een schedelbreuk opliep door een klap in het gezicht van de verdachte, die als uitsmijter werkte in een discotheek. De verdachte voerde in hoger beroep een beroep op noodweerexces aan, dat door het hof werd verworpen. Het hof oordeelde dat het beroep op noodweerexces onvoldoende duidelijk was gemaakt en gaf daarom geen aparte beslissing daarop.
De raadsman van de verdachte stelde dat de agressieve en recalcitrante houding van het slachtoffer, het mogelijke wapenbezit en het feit dat de verdachte alleen stond tegenover een gewelddadige persoon, rechtvaardigden dat de verdachte zich niet kon onttrekken en dat zijn reactie proportioneel was. Het hof verwierp dit beroep op noodweer, mede omdat het slachtoffer op het moment van de klap geen dreiging meer zou hebben gevormd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het beroep op noodweerexces niet als voldoende duidelijk heeft aangemerkt en daarom geen beslissing daarop hoefde te nemen. Wel vernietigt de Hoge Raad het deel van het arrest waarin vervangende hechtenis is opgelegd bij de schadevergoedingsmaatregel en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het deel over vervangende hechtenis en verwerpt het beroep op noodweerexces wegens onvoldoende onderbouwing.