ECLI:NL:HR:2020:1154

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
26 juni 2020
Zaaknummer
18/03815
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 GWWD (oud)Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn in dierenwelzijnszaken

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor het onthouden van de nodige verzorging aan runderen, in strijd met artikel 37 van Pro de oude Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. De Hoge Raad beoordeelde meerdere cassatiemiddelen, waarvan twee niet tot vernietiging leidden. Het derde middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro vanwege te late verzending van stukken door het hof.

De Hoge Raad verklaarde dit middel gegrond en vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur. De opgelegde taakstraf van 110 uren en de vervangende hechtenis van 55 dagen werden verminderd naar 104 uren taakstraf en 52 dagen hechtenis. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen, waarmee de veroordeling en het oordeel van het hof in stand bleven.

De uitspraak benadrukt het belang van de naleving van de redelijke termijn in strafzaken en bevestigt dat het vaststellen van een welzijnsaantasting op een bepaald moment voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van het onthouden van verzorging aan dieren. De Hoge Raad motiveert niet nader waarom de overige klachten niet tot vernietiging leiden, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro RO.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf en vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03815
Datum7 juli 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 augustus 2018, nummer 20-003231-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 110 uren, subsidiair 55 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 104 uren, subsidiair 52 dagen hechtenis, belopen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2020.