Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 juni 2020.
Hoge Raad
De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin het hof haar klachten over het niet wijzen op het recht op een comparitie na aanbrengen in hoger beroep verwierp. De man was niet verschenen en verstek was verleend. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak en beoordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van zijn oordeel te geven, omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht oproepen, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep wordt gevolgd.
Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.