ECLI:NL:HR:2020:1140

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2020
Publicatiedatum
25 juni 2020
Zaaknummer
19/03316
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep in cassatie over comparitie en mondelinge behandeling in hoger beroep

De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, waarin het hof haar klachten over het niet wijzen op het recht op een comparitie na aanbrengen in hoger beroep verwierp. De man was niet verschenen en verstek was verleend. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak en beoordeelt dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.

De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van zijn oordeel te geven, omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht oproepen, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep wordt gevolgd.

Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/03316
Datum26 juni 2020
ARREST
In de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/500713/HA ZA 16-435 van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2017 en 26 juli 2017;
b. het arrest in de zaak 200.231.254/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019.
De vrouw heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Tegen de man is verstek verleend.
De zaak is voor de vrouw toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
26 juni 2020.