ECLI:NL:HR:2020:1110
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwijst zaak over aftrek dieetkosten in inkomstenbelasting terug naar Hof Den Haag
Belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting 2015 kosten voor een natriumbeperkt dieet van zijn echtgenote als persoonsgebonden aftrek opgevoerd. De Inspecteur accepteerde deze kosten niet vanwege het ontbreken van een dieetverklaring. De Rechtbank oordeelde dat belanghebbende zijn standpunt over de aftrek had laten vallen. In hoger beroep stelde belanghebbende voor het eerst eigen dieetkosten te hebben opgevoerd met een dieetverklaring.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat dieetkosten niet meer in hoger beroep aan de orde konden worden gesteld omdat belanghebbendes gemachtigde ter zitting van de Rechtbank het standpunt over dieetkosten uitdrukkelijk en ondubbelzinnig had prijsgegeven. De Hoge Raad stelt dat een standpunt slechts als ingetrokken kan gelden indien dit uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is verklaard.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in hoger beroep aanspraak kan maken op aftrek van eigen dieetkosten. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.