Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
7 januari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in een strafzaak tegen de verdachte wegens het opzettelijk onjuist doen van verplichte belastingaangifte en het niet tijdig indienen daarvan op Sint Maarten.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofvonnis, behalve wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg hiervan vernietigt de Hoge Raad het vonnis van het hof uitsluitend voor de strafmaat en vermindert de gevangenisstraf van 22 maanden (waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar) tot 21 maanden en 2 weken, met dezelfde voorwaardelijke duur en proeftijd. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 21 maanden en 2 weken vanwege overschrijding van de redelijke termijn.