Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte, een moeder, werd veroordeeld voor overtreding van artikel 4a van de Leerplichtwet 1969. De moeder werd beschuldigd van het niet zorgdragen voor het geregeld schoolbezoek van haar kwalificatieplichtige dochter.
In cassatie stelde de verdediging dat uit het bestreden vonnis niet kon worden afgeleid dat de moeder daadwerkelijk niet aan haar zorgplicht had voldaan. De advocaat-generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering nader toe te lichten, omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep werd daarom verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen, waardoor haar veroordeling voor overtreding van de Leerplichtwet 1969 in stand blijft.