Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 juni 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 9 juni 2020 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak betreft een moeder die wordt beschuldigd van het niet zorgdragen voor het geregeld schoolbezoek van haar dochter, wat een overtreding van de Leerplichtwet 1969 (Lpw) zou zijn. De moeder, geboren in 1973, heeft een beroep ingesteld tegen de uitspraak van het hof, dat op 4 september 2018 een veroordeling heeft uitgesproken.
De verdediging, vertegenwoordigd door advocaat H.M.W. Daamen, heeft in de cassatieschriftuur aangevoerd dat uit de beschikbare bewijsstukken niet kan worden afgeleid dat de verdachte niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, wat betekent dat hij van mening is dat de uitspraak van het hof in stand moet blijven.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat het niet nodig is om te motiveren waarom het tot dit oordeel is gekomen, aangezien de vragen die aan de orde zijn niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen, waarmee de eerdere uitspraak van het hof definitief is geworden.