ECLI:NL:HR:2020:1005

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2020
Publicatiedatum
31 mei 2020
Zaaknummer
19/03451
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak wegens niet-toekenning van verletkosten in belastingzaak

Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag over een aanslag inkomstenbelasting en de daarbij behorende belastingrente. Het hof had het hoger beroep gegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten, maar had niet beslist over het verzoek van belanghebbende om vergoeding van haar verletkosten voor het bijwonen van de zitting bij de Rechtbank.

Belanghebbende stelde in cassatie dat het hof dit verzoek ten onrechte had genegeerd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verzoek inderdaad had miskend, omdat uit de gedingstukken bleek dat belanghebbende dit verzoek wel had ingediend. De overige klachten van belanghebbende werden verworpen zonder nadere motivering.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het geen vergoeding van de verletkosten toekende en wees deze vergoeding toe als onweersproken. Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in cassatie, en de Inspecteur tot vergoeding van de verletkosten aan de zijde van belanghebbende voor het geding bij de Rechtbank.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2020.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het geen vergoeding van verletkosten toekent en wijst deze vergoeding toe.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03451
Datum5 juni 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 juni 2019, nr. BK-18/00916, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/1719) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
Het beroep van belanghebbende ter zake van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is door de Rechtbank ongegrond verklaard. Het Hof heeft, voor zover hier van belang, het hoger beroep en het beroep gegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de zijde van belanghebbende.
2.2.1
Belanghebbende komt tegen het oordeel van het Hof op met onder meer de klacht dat het Hof geen uitspraak heeft gedaan op haar bij de Rechtbank gedane verzoek om haar een vergoeding van haar verletkosten toe te kennen in verband met het bijwonen van het onderzoek ter zitting van de Rechtbank.
2.2.2
Deze klacht slaagt. Onder de gedingstukken van het Hof bevindt zich een formulier proceskosten. Dit formulier laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende bij de Rechtbank heeft verzocht om vergoeding van haar verletkosten vanwege het bijwonen van het onderzoek ter zitting van de Rechtbank. In het oordeel van het Hof over de toekenning van proceskosten is dit miskend.
2.3
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.4
De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
De Staatssecretaris heeft aangevoerd dat hij de juistheid niet kan vaststellen van de stelling van belanghebbende dat zij bij de Rechtbank door middel van een formulier een verzoek met betrekking tot de door haar in cassatie vermelde verletkosten heeft gedaan. Mocht in cassatie de juistheid van die stelling komen vast te staan, dan had het Hof zich (ook) moeten uitlaten over een vergoeding van verletkosten in verband met het bijwonen van de zitting van de Rechtbank en slaagt in zoverre de klacht van belanghebbende, aldus de Staatssecretaris.
In het voorgaande ligt besloten dat de door belanghebbende voor het bijwonen van de behandeling in beroep verlangde verletkosten als onweersproken kunnen worden toegewezen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de verletkosten van het geding voor de Rechtbank.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarin aan belanghebbende geen vergoeding van verletkosten is toegekend,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de verletkosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende tot een bedrag van € 164.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2020.