ECLI:NL:HR:2019:990

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2019
Publicatiedatum
18 juni 2019
Zaaknummer
17/03688
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling mishandeling ondanks overschrijding redelijke termijn

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor mishandeling, bestaande uit met kracht duwen en meermalen slaan tegen het lichaam van de aangevers. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, maar dat het beroep verder verworpen moest worden.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Hoewel de redelijke termijn was overschreden, werd dit gelet op de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, de geldboete van €750,- en subsidiair 15 dagen hechtenis, niet als reden gezien om het oordeel te wijzigen of rechtsgevolgen te verbinden.

De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het arrest van het gerechtshof. Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling wegens mishandeling ondanks overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

18 juni 2019
Strafkamer
nr. S 17/03688
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 april 2017, nummer 22/004392-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal vaststellen dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, maar dat met de enkele constatering van die overschrijding zal worden volstaan en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren, de geldboete van € 750,-, subsidiair 15 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 juni 2019.