Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over witwassen op grond van artikel 420bis Sr.
Verdachte stelde een middel van cassatie voor, gericht op een bewijsklacht met betrekking tot de herkomst van het geldbedrag dat uit enig misdrijf zou zijn verkregen. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geen nadere motivering nodig is omdat het middel niet leidt tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering en uitgesproken op 18 juni 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.