Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:958

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2019
Publicatiedatum
13 juni 2019
Zaaknummer
18/01656
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:102 BWArt. 190 BWArt. 191 BWArt. 81 lid 1 ROArt. 31 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid na ontbinding huwelijksgemeenschap bij geldlening

In deze zaak stond de vraag centraal of een echtgenoot na ontbinding van de huwelijksgemeenschap hoofdelijk aansprakelijk is voor geldleningen die tijdens het huwelijk zijn aangegaan door de andere echtgenoot. De vordering betrof een bedrag van € 93.000,-- dat door verweerders aan betrokkene 1 was geleend, waarbij eiseres mede aansprakelijk werd gesteld op grond van artikel 1:102 BW Pro.

De rechtbank wees de vordering jegens eiseres af, maar het hof stelde eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht uitging van de huidige tekst van artikel 1:102 BW Pro, die sinds 1 januari 2012 geldt en die hoofdelijkheid bepaalt met een beperking van verhaal. Deze beperking betreft dat verhaal slechts mogelijk is tot het bedrag dat de echtgenoot uit de verdeling van de gemeenschap heeft verkregen.

De Hoge Raad oordeelde dat deze wettelijke beperking van verhaal niet expliciet in het dictum van het arrest hoeft te worden opgenomen, omdat deze beperking al uit de wet voortvloeit. De klacht dat het hof dit niet had gedaan, werd daarom verworpen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiseres in de kosten van het geding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres voor de lening van € 93.000,--.

Uitspraak

14 juni 2019
Eerste Kamer
18/01656
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.
Eiseres zal hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en verweerder onder 1 als [verweerder 1] . Verweerders worden gezamenlijk aangeduid als [verweerders]

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/17/136114/HA ZA 14-315 van de rechtbank Noord-Nederland van 16 november 2016;
b. het arrest in de zaak 200.208.210/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2018.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerders] mede door mr. J.M. Moorman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 23 januari 2018 en tot afdoening als in de conclusie onder 2.20 vermeld.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
( i) [eiseres] en [betrokkene 1] zijn in 1990 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
(ii) [betrokkene 1] en [verweerders] zijn kennissen van elkaar.
(iii) Op 5 oktober 2006 hebben [verweerders] vanaf hun en/of-bankrekening onder vermelding van het woord “lening” een bedrag van € 10.000,-- overgemaakt naar de en/of-bankrekening van [eiseres] en [betrokkene 1] .
(iv) Op 23 maart 2007 hebben [verweerders] vanaf hun en/of-bankrekening een bedrag van € 75.000,-- overgemaakt naar de en/of-bankrekening van [eiseres] en [betrokkene 1] onder vermelding van het woord “Participatie”.
( v) Op 12 juli 2007 hebben [verweerders] een bedrag van € 8.000,-- ter hand gesteld aan [betrokkene 1] .
(vi) Op 3 maart 2008 is het huwelijk van [eiseres] en [betrokkene 1] omgezet in een geregistreerd partnerschap. Op 4 april 2008 is dit geregistreerd partnerschap ontbonden door inschrijving van een daartoe strekkende notariële akte van 2 april 2008 in de registers van de burgerlijke stand.
(vii) Op 10 november 2008 hebben [betrokkene 1] en [verweerders] (althans [verweerder 1] ) een onderhandse akte ondertekend met het opschrift “Overeenkomst van geldlening”. In deze akte is onder meer bepaald dat [verweerders] en [betrokkene 1] “een overeenkomst van geldlening wensen te sluiten” en dat [betrokkene 1] een bedrag van € 93.000,-- van [verweerders] heeft geleend.
3.2.1
In dit geding vorderen [verweerders] de hoofdelijke veroordeling van [eiseres] en [betrokkene 1] tot betaling van, kort gezegd, het bedrag van € 93.000,-- (hiervoor vermeld in 3.1 onder (vii)). Zij hebben aan hun vordering jegens [eiseres] ten grondslag gelegd dat deze voortvloeit uit geldleningen die [betrokkene 1] met hen is aangegaan vóór de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van [betrokkene 1] en [eiseres] , voor de terugbetaling waarvan [eiseres] op grond van art. 1:102 BW Pro aansprakelijk is.
3.2.2
De rechtbank heeft de vordering jegens [betrokkene 1] toegewezen en die jegens [eiseres] afgewezen. Zij overwoog met betrekking tot de vordering jegens [eiseres] , samengevat, dat niet is komen vast te staan dat de geldlening een schuld betreft waarvoor [eiseres] op grond van art. 1:102 BW Pro aansprakelijk is (rov. 4.3).
3.2.3
Het hof heeft het hoger beroep ten aanzien van [betrokkene 1] verworpen en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij de vordering jegens [eiseres] is afgewezen. Het heeft [eiseres] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 93.000,-- in hoofdsom, en bepaald dat [eiseres] ten aanzien van dat bedrag naast [betrokkene 1] hoofdelijk aansprakelijk is.
3.3.1
De in onderdeel 1 van het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.3.2
Onderdeel 2 is voorgesteld voor het geval onderdeel 1 wordt verworpen, welke voorwaarde is vervuld (zie hiervoor in 3.3.1). Het onderdeel, dat tot uitgangspunt neemt dat het hof de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiseres] heeft gebaseerd op art. 1:102 BW Pro zoals dat sinds 1 januari 2012 luidt, klaagt dat het hof heeft verzuimd in het dictum de in die bepaling voorziene beperking op te nemen.
3.3.3
Art. 1:102 BW Pro zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2012, bepaalt onder meer:
“Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere gemeenschapsschulden is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden, met dien verstande evenwel dat daarvoor slechts kan worden uitgewonnen hetgeen hij uit hoofde van verdeling van de gemeenschap heeft verkregen, onverminderd de artikelen 190, eerste lid, en 191, eerste lid, van Boek 3.”
3.3.4
Art. 1:102 BW Pro luidde vóór 1 januari 2012:
“Na ontbinding van de gemeenschap blijft ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden, waarvoor hij voordien aansprakelijk was. Voor andere schulden van de gemeenschap is hij voor de helft aansprakelijk; voor dat gedeelte der schuld is hij hoofdelijk met de andere echtgenoot verbonden.”
3.3.5
Het hof heeft zich niet expliciet uitgelaten over de vraag of in deze zaak het huidige dan wel het oude art. 1:102 BW Pro van toepassing is. Uit de omstandigheid dat het hof het door [verweerders] van [eiseres] gevorderde bedrag van € 93.000,-- geheel heeft toegewezen, valt echter af te leiden dat het hof is uitgegaan van het huidige art. 1:102 BW Pro. Bij toepassing van het oude art. 1:102 BW Pro zou [eiseres] immers slechts voor de helft aansprakelijk zijn. Deze uitleg van het arrest vindt bevestiging in de brief van 24 mei 2018, waarin het hof het op de art. 31/32 Rv gebaseerde verzoek van [eiseres] om de beperking van de verhaalsmogelijkheid die is opgenomen in het sinds 1 januari 2012 geldende art. 1:102 BW Pro aan de veroordeling toe te voegen, heeft afgewezen op de grond dat die beperking reeds uit de wet voortvloeit.
3.3.6
Blijkens de gedingstukken zijn beide partijen in de feitelijke instanties uitgegaan van toepasselijkheid van het huidige art. 1:102 BW Pro. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het hem daarom niet vrijstond het oude recht toe te passen. Tegen dat oordeel is geen klacht gericht. Weliswaar stelt het middel in onderdeel 3 een klacht voor (onder meer) voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat het hof niet is uitgegaan of niet had mogen uitgaan van het huidige art. 1:102 BW Pro, maar de klacht houdt niet in dát het hof die bepaling niet had mogen toepassen. Daarom moet in cassatie van de toepasselijkheid van het huidige art. 1:102 BW Pro worden uitgegaan. Ingevolge de tweede zin van dit artikel is een echtgenoot na ontbinding van de huwelijksgemeenschap hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de gemeenschap waarvoor hij voordien niet aansprakelijk was. Het slot van de tweede zin (“met dien verstande …”) beperkt niet de toewijsbaarheid van de vordering tegen die echtgenoot, maar slechts de verhaalsmogelijkheden ter zake van die vordering. De rechter is daarom niet gehouden om, ook zonder dat daarom is verzocht, in het dictum die reeds uit de wet voortvloeiende beperking aan de toewijzing van de vordering te verbinden. Ook onderdeel 2 faalt dus.
3.3.7
Onderdeel 3 behoeft geen behandeling, nu aan de voorwaarde waaronder het is voorgesteld, niet is voldaan (zie hiervoor in 3.3.6).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
14 juni 2019.