Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
11 juni 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de verklaring van de overleden aangeefster, ex-partner van de verdachte, ten onrechte als bewijs was gebruikt door het Hof. De verdachte werd verdacht van poging tot zware mishandeling op 27 oktober 2011, waarbij hij zijn ex-partner met een sjaal om de nek en met druk op mond en neus ernstig belemmerde in ademhaling.
De verdediging voerde aan dat het ondervragingsrecht was geschonden omdat de aangeefster door haar overlijden niet als getuige kon worden gehoord, waardoor haar verklaring niet als bewijs mocht dienen. Het Hof oordeelde echter dat de verklaring van de aangeefster niet het enige of beslissende bewijs was en dat deze voldoende steun vond in andere bewijsmiddelen zoals medische rapporten, getuigenverklaringen en de eigen verklaring van verdachte.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2017:1016) waarin is bepaald dat een verklaring van een niet-ondervraagde getuige kan worden gebruikt als deze niet in beslissende mate op die verklaring steunt of het ontbreken van ondervraging voldoende wordt gecompenseerd. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het Hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het gebruik van de verklaring van de overleden ex-partner als bewijs in combinatie met andere bewijsmiddelen.