Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
11 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1960, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 maart 2017 in een strafzaak betreffende opiumdelicten.
De verdachte heeft echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een schriftuur met cassatiemiddelen betekent dat het beroep niet ontvankelijk is. De Hoge Raad verklaarde de verdachte dan ook niet-ontvankelijk in het beroep en wees het beroep af. Het arrest werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 11 juni 2019 door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.