ECLI:NL:HR:2019:84

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2019
Publicatiedatum
21 januari 2019
Zaaknummer
17/01789
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 lid 1 sub 5 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt straf voor diefstal met valse sleutel en overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor diefstal met behulp van een valse sleutel door geld te pinnen met een gestolen of zonder toestemming gebruikte bankpas. Het beroep werd ingesteld door verdachte en behandeld door de Hoge Raad.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de straf, met een voorstel tot vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, maar tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de eerste en tweede middelen niet tot cassatie konden leiden en dat deze geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden.

Het derde middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, maar gelet op de korte gevangenisstraf van twee maanden en de mate van overschrijding, werd geen rechtsgevolg verbonden aan deze overschrijding.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof, waarmee de straf werd gehandhaafd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van twee maanden gevangenisstraf wordt bevestigd.

Uitspraak

22 januari 2019
Strafkamer
nr. S 17/01789
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 maart 2017, nummer 21/002276-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 januari 2019.