Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld van geld uit een supermarktkluis.
De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging. De straf werd verminderd van 27 maanden naar 26 maanden gevangenisstraf. Voor het overige werd het beroep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 21 mei 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 27 naar 26 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.