Uitspraak
1.Geding in cassatie
2 jaren.
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk gepleegd door een rechtspersoon. In cassatie werd onder meer geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, het bewezenverklaarde handelen en de toepassing van het strafmaximum.
De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verminderde deze tot 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot 23 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.