Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een rechtspersoon tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte werd verweten meermalen opzettelijk te hebben gehandeld in strijd met het verbod zoals gesteld in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet. De klacht richtte zich op de toerekening van het handelen aan de rechtspersoon.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was nadere motivering niet vereist omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, hetgeen door de Hoge Raad werd gevolgd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.