ECLI:NL:HR:2019:672

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2019
Publicatiedatum
23 april 2019
Zaaknummer
18/01195
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-indienen cassatiemiddelen in zaak heimelijk overpompen minerale olie

De verdachte, geboren in 1962, was in cassatie gegaan tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 november 2017 in een strafzaak betreffende heimelijk overpompen van minerale olie. De verdachte heeft echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn bij de Hoge Raad.

De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens vastgesteld dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd, waardoor de verdachte niet kan worden ontvangen in het beroep.

Daarom heeft de Hoge Raad op 23 april 2019 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

23 april 2019
Strafkamer
nr. S 18/01195
AKA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 november 2017, nummer 22/002563-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 april 2019.