In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de teruggaaf van omzetbelasting over de periode van 20 juni 2013 tot en met 31 december 2013. Vervolgens heeft de Staatssecretaris het cassatieberoep ingetrokken. Belanghebbende verzocht de Hoge Raad om de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die verband houden met het gehele traject, inclusief bezwaar, rechtbank, hoger beroep en cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) alleen de kosten die zijn gemaakt voor het cassatiegeding zelf voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten van eerdere procedures, zoals bezwaar, rechtbank en hoger beroep, vallen hier niet onder, mede omdat het hof al vergoedingen daarvoor heeft toegekend.
De Hoge Raad veroordeelt daarom de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op €1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek tot vergoeding van overige kosten wordt afgewezen. Het arrest is gewezen door raadsheren Punt, van Hilten en Faase en op 18 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.