Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld wegens belediging van zijn ex-vrouw, gepleegd in reactie op een interview van haar in een krant. Het geschil betrof de vraag of de uitlatingen van de verdachte, gelet op artikel 266 lid 2 Sr Pro en artikel 10 lid 2 EVRM Pro, als strafbare belediging konden worden aangemerkt.
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), omdat het beroep klaarblijkelijk onvoldoende belang had en de klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en geen kans op slagen.