ECLI:NL:HR:2019:611

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
17/03912
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 266 SrArt. 10 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens gebrek aan belang bij belediging ex-vrouw

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld wegens belediging van zijn ex-vrouw, gepleegd in reactie op een interview van haar in een krant. Het geschil betrof de vraag of de uitlatingen van de verdachte, gelet op artikel 266 lid 2 Sr Pro en artikel 10 lid 2 EVRM Pro, als strafbare belediging konden worden aangemerkt.

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), omdat het beroep klaarblijkelijk onvoldoende belang had en de klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en geen kans op slagen.

Uitspraak

16 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/03912
YTA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 20 juli 2017, nummer 21/004640-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2019.