Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het negende middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
zes maanden;
16 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak staat de grootschalige hypotheekfraude centraal waarbij de verdachte als mededirecteur van een vennootschap leiding gaf aan het medeplegen van witwassen en valsheid in geschrift. Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte tot 18 maanden gevangenisstraf en een bijkomende straf van ontzetting van het recht op het uitoefenen van het beroep van financieel adviseur en hypotheekadviseur voor zeven jaren.
De Hoge Raad oordeelt dat de duur van de ontzetting van het recht in strijd is met artikel 31, eerste lid, aanhef en onder 2°, Sr, dat bepaalt dat de duur van de ontzetting ten minste twee en ten hoogste vijf jaren langer mag zijn dan de hoofdstraf. De Hoge Raad leest de uitspraak met verbetering en stelt de duur van de ontzetting vast op zes jaar en zes maanden.
Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor de gevangenisstraf wordt verminderd van 18 naar 17 maanden. Het beroep in cassatie wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt de straf passend geacht binnen de wettelijke kaders en wordt de beroepsuitoefening van de verdachte beperkt vanwege zijn rol in de fraude.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot 17 maanden en ontzetting van het recht op beroepsuitoefening vastgesteld op zes jaar en zes maanden.