Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een belastingadviseur die jarenlang voor anderen aangiften inkomstenbelasting heeft verzorgd waarbij te hoge bedragen aan zorgkosten werden opgevoerd. Hij werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.
In cassatie stelde de verdachte onder meer dat het hof het grootschalige karakter van de valsheid in geschrift niet voldoende had gemotiveerd, mede omdat de tenlastelegging en bewezenverklaring geen nadere aanduiding van de hoeveelheid bevatten. Tevens verzocht hij om het horen van 67 personen als getuigen, wat door de Hoge Raad werd afgewezen.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept. Het beroep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.