ECLI:NL:HR:2019:573

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2019
Publicatiedatum
11 april 2019
Zaaknummer
19/00279
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker wegens ontbreken advocaatsondertekening in cassatie

Deze zaak betreft een cassatieprocedure waarin de verzoeker, aangeduid als de vader, beroep in cassatie heeft ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het verzoekschrift werd op 2 januari 2019 ingediend, maar was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals voorgeschreven in artikel 426a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker. Hoewel de verzoeker schriftelijk op deze conclusie reageerde, werd deze reactie niet door een advocaat ingediend, waardoor de Hoge Raad hieraan geen acht sloeg.

De Hoge Raad overwoog dat het verzuim van het ontbreken van een advocaatsondertekening hersteld had kunnen worden door het verzoekschrift binnen twee weken opnieuw in te dienen met de vereiste ondertekening. Omdat van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt, werd de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.

De beschikking werd op 12 april 2019 door de Hoge Raad gegeven en in het openbaar uitgesproken door raadsheer M.V. Polak. Hiermee werd het cassatieberoep van de verzoeker definitief afgewezen wegens procedurele niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van advocaatsondertekening op het cassatieverzoekschrift.

Uitspraak

12 april 2019
Eerste Kamer
19/00279
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [de vader] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken 5695523 MS VERZ 17-47 en 5695631 BM VERZ 17-228 van de kantonrechter te Zwolle van 30 oktober 2017;
b. de beschikking in de zaak 200.232.370/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 oktober 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [de vader] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
[de vader] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. Nu deze brief niet door tussenkomst van een advocaat aan de Hoge Raad is toegestuurd, zal de Hoge Raad daarop geen acht slaan.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het op 2 januari 2019 ingekomen verzoekschrift is ingediend door [de vader] zelf en is niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [de vader] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart [de vader] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
12 april 2019.