Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
9 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van poging moord door het afvuren van meerdere kogels op het slachtoffer. Na een arrest van het Gerechtshof Den Haag werd door verdachte cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Namens verdachte diende advocaat J. Kuijper een schriftuur in die deel uitmaakt van het arrest.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien. De uitspraak werd op 9 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Het betreft een bevestiging van de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep in een strafzaak over medeplegen poging moord.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.