Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:552

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2019
Publicatiedatum
8 april 2019
Zaaknummer
17/01571
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 342 lid 2 SvArt. 22b SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verwerping cassatie in zaak feitelijke aanranding eerbaarheid ondanks redelijke termijnoverschrijding

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Hij stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie, waaronder het bewijsminimum en de toepassing van het taakstrafverbod.

De eerste en tweede middelen werden zonder nadere motivering verworpen, omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. Het derde middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.

De Hoge Raad erkende de overschrijding van de redelijke termijn, mede omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de aard van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd, achtte de Hoge Raad een strafvermindering niet op zijn plaats.

Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn; de voorwaardelijke gevangenisstraf blijft ongewijzigd.

Uitspraak

9 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/01571
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 maart 2017, nummer 20/003014-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Aangezien de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren zich naar zijn aard niet voor vermindering leent, zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 april 2019.