Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
.Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 5.735,44.
4.Beslissing
9 april 2019.
Hoge Raad
Betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had een betalingsverplichting opgelegd die betrokkene aanvocht.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de betalingsverplichting, en stelde voor het bedrag te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Het eerste middel van betrokkene werd verworpen omdat het geen relevante rechtsvragen opriep.
Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro tijdens de cassatiefase, vanwege te late toezending van stukken door het hof. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de betalingsverplichting te verminderen van €5.735,44 naar €5.449.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betrof en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd de betalingsverplichting verlaagd wegens schending van het redelijke termijnbeginsel.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €5.449 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.