Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 april 2017, waarin het hof een veroordeling handhaafde in een strafzaak over opiumdelicten. Het geschil draait om de bewijsklacht dat verdachte niet zou hebben geweten dat de op zijn perceel aangetroffen voorwerpen bestemd waren voor het bereiden van amfetamine.
De advocaat van verdachte heeft namens hem een middel van cassatie ingediend, gericht op deze bewijsklacht. De Advocaat-Generaal heeft echter geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering. Het beroep wordt verworpen, waarmee de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.