Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 oktober 2016. Echter zijn er geen middelen van cassatie namens de verdachte ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Hoge Raad heeft beoordeeld dat het ontbreken van een schriftuur met middelen van cassatie binnen de termijn een schending vormt van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft daarop de verdachte formeel niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. Het arrest is uitgesproken op 2 april 2019 door de vice-president J. de Hullu en raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het ontbreken van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.