Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beslissing
26 maart 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het opzettelijk te laag opgeven van het belastbaar inkomen in de aangifte inkomstenbelasting over 2008, met een geldboete van € 100.000,- als straf. Het hof baseerde de hoogte van de boete op een verondersteld bedrag van € 400.000,- aan verzwegen inkomen en stelde dat de verdachte 25% van dit bedrag als boete zou moeten betalen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een fundamentele fout heeft gemaakt door de vergrijpboete te berekenen als percentage van het verzwegen inkomen in plaats van als percentage van de belasting over het verzwegen inkomen. Volgens de wet bedraagt de belasting op het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang 25%, en de vergrijpboete wordt berekend als percentage van de belasting die ontdoken is, niet van het bruto inkomen.
Daarnaast heeft het hof nagelaten te motiveren waarom het een vergrijpboete van 100% hanteerde, terwijl de inspecteur bij opzet een boete van 50% kan opleggen en deze alleen kan worden verhoogd tot 100% bij strafverzwarende omstandigheden. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging.
Het beroep van de verdachte wordt voor het overige verworpen. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een juiste toepassing van fiscale boetebepalingen bij strafoplegging wegens belastingfraude.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling.