Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake geheven leges aan belanghebbende [Z] B.V.
Het college voerde meerdere klachten aan, maar deze konden niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen rechtsvragen bevatten die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het voorwaardelijk incidentele beroep van belanghebbende verviel omdat het principale beroep niet tot vernietiging van de hofuitspraak leidde. De Hoge Raad veroordeelde het college in de kosten van het cassatiegeding, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en legde een griffierecht van € 508 op.
De uitspraak werd door de vice-president en raadsheren in het openbaar op 22 maart 2019 gewezen.