Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
zetelende te Arnhem,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 maart 2019.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag of de provincie Gelderland heeft voldaan aan haar verplichting om te trachten de te onteigenen onroerende zaak bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, zoals vereist op grond van artikel 81 lid 1 van Pro de Onteigeningswet (Ow).
Eisers hebben beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, waarin hun vordering werd afgewezen. De provincie heeft verweer gevoerd en de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat het niet nodig is om de rechtsvragen nader te motiveren, omdat deze niet bijdragen aan de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
De Hoge Raad veroordeelt tevens eisers in de kosten van het cassatiegeding, bestaande uit verschotten en salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Dit arrest bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland en onderstreept de strikte toepassing van de regels rond onteigening en de verplichting tot minnelijke verkrijging.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank Gelderland bevestigd.