ECLI:NL:HR:2019:401

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 maart 2019
Publicatiedatum
20 maart 2019
Zaaknummer
18/01970
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 17 Ow
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in onteigeningszaak provincie Gelderland

In deze zaak gaat het om de vraag of de provincie Gelderland heeft voldaan aan haar verplichting om te trachten de te onteigenen onroerende zaak bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, zoals vereist op grond van artikel 81 lid 1 van Pro de Onteigeningswet (Ow).

Eisers hebben beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, waarin hun vordering werd afgewezen. De provincie heeft verweer gevoerd en de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat het niet nodig is om de rechtsvragen nader te motiveren, omdat deze niet bijdragen aan de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.

De Hoge Raad veroordeelt tevens eisers in de kosten van het cassatiegeding, bestaande uit verschotten en salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Dit arrest bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland en onderstreept de strikte toepassing van de regels rond onteigening en de verplichting tot minnelijke verkrijging.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank Gelderland bevestigd.

Uitspraak

22 maart 2019
Eerste Kamer
18/01970
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. van den Berg,
t e g e n
PROVINCIE GELDERLAND,
zetelende te Arnhem,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en de Provincie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C/05/328676/HZ ZA 17-443 van de rechtbank Gelderland van 11 april 2018.
Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Provincie heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de Provincie toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsherenA.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
22 maart 2019.