ECLI:NL:HR:2019:390

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2019
Publicatiedatum
19 maart 2019
Zaaknummer
18/01870
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317 SrArt. 157 SrArt. 437 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen bij poging afpersing en explosievenplaatsing

De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte werd verdacht van poging tot afpersing van een supermarktketen en het plaatsen van explosieven bij verschillende vestigingen van die supermarkt.

In cassatie heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn en zonder tussenkomst van een raadsman. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad heeft daarom het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan en het arrest van het gerechtshof in stand blijft.

De uitspraak werd gedaan door raadsheer A.L.J. van Strien in aanwezigheid van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg tijdens een openbare terechtzitting op 19 maart 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Uitspraak

19 maart 2019
Strafkamer
nr. S 18/01870
KM
Hoge Raad der Nederlanden
Tweede Enkelvoudige Kamer
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 20 april 2018, nummer 21/003804-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 maart 2019.