Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
19 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verdachte werd verdacht van poging tot afpersing van een supermarktketen en het plaatsen van explosieven bij verschillende vestigingen van die supermarkt.
In cassatie heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn en zonder tussenkomst van een raadsman. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op de zaak is ingegaan en het arrest van het gerechtshof in stand blijft.
De uitspraak werd gedaan door raadsheer A.L.J. van Strien in aanwezigheid van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg tijdens een openbare terechtzitting op 19 maart 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.