ECLI:NL:HR:2019:365

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2019
Publicatiedatum
14 maart 2019
Zaaknummer
18/04787
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens onvoldoende belang en art. 80a RO

In deze zaak stond een vordering tot terugbetaling van verduisterd geld centraal, waarbij eiseres in cassatie ging tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 augustus 2018. De Hoge Raad verwees voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere vonnissen en arresten van rechtbank en hof.

Het cassatieberoep werd ingediend door eiseres, die zich verzet tegen het arrest van het hof. De Procureur-Generaal stelde zich op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat eiseres onvoldoende belang had bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten inderdaad geen behandeling in cassatie rechtvaardigden. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde eiseres in de kosten van het cassatiegeding, vastgesteld op € 397,07 aan verschotten en nihil voor salaris.

Het arrest werd gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door Polak op 15 maart 2019.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en toepassing van art. 80a lid 1 RO.

Uitspraak

15 maart 2019
Eerste Kamer
18/04787
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. T. Dohmen,
t e g e n
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster] .

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/17/144957/HA ZA 15-342 van de rechtbank Noord-Nederland van 13 januari 2016 en 13 juli 2016;
b. de arresten in de zaak 200.201.399/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016,
30 januari 2018 en 14 augustus 2018.
Het arrest van het hof van 14 augustus 2018 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 14 augustus 2018 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3.2 - 3.19).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 397,07 aan verschotten en
nihil voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
15 maart 2019.