Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
15 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek van de Zwitserse Bondsstaat tot uitlevering van een persoon met de Nederlandse nationaliteit, verdacht van moord en diefstal met geweld. De opgeëiste persoon voerde in cassatie aan dat hij kennelijk onschuldig was omdat hij in de periode van de feiten in een ziekenhuis in Servië werd behandeld.
De Hoge Raad behandelde het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, die de uitlevering had toegestaan. De advocaat van de opgeëiste persoon stelde een middel van cassatie voor, dat door de Advocaat-Generaal werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen en de uitlevering aan Zwitserland bevestigd.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad, W.A.M. van Schendel, samen met raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, op 15 januari 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Zwitserland bevestigd.