ECLI:NL:HR:2019:26

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
8 januari 2019
Zaaknummer
17/04384
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 408 Sv CuraçaoArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in Antilliaanse zaak

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte geboren in 1983 tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte was in voorlopige hechtenis en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 maanden.

De advocaat van de verdachte stelde middelen van cassatie voor, waarbij onder meer werd geklaagd over het niet persoonlijk aanwezig kunnen zijn bij de uitspraak en over de bewijsklachten. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van de strafoplegging vanwege een schending van het recht op een redelijke berechtingstermijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, maar adviseerde verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Wel stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat een vermindering van de straf rechtvaardigde.

De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, die werd verminderd van 90 naar 87 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Deze uitspraak werd gedaan op 8 januari 2019 door de strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 90 naar 87 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

8 januari 2019
Strafkamer
nr. S 17/04384 A
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van
8 juni 2017, nummer H 158/16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf, met vermindering daarvan wegens een inbreuk in cassatie op het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 90 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 87 maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 januari 2019.