Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
19 februari 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 19 februari 2019 uitspraak gedaan in een zaak over het beslag op twee honden in verband met verdenking van het onthouden van de nodige verzorging, zoals bedoeld in artikel 2.2.8 van de Wet dieren. De rechtbank Noord-Holland had het klaagschrift van de klager beoordeeld en het beslag gehandhaafd, waarbij zij overwoog dat de klager zijn verantwoordelijkheid voor de honden had moeten nemen maar dat niet had gedaan.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank niet de juiste maatstaf had toegepast bij de beoordeling van het klaagschrift ex artikel 94 Sv Pro. Volgens de conclusie van de Advocaat-Generaal dient de rechter bij het beoordelen van een beklag ex artikel 94 Sv Pro eerst te toetsen of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt. Indien dit niet het geval is, moet het beslag worden opgeheven en het voorwerp worden teruggegeven aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.
De rechtbank had echter niet overwogen of en waarom het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vorderde. Daarom vernietigde de Hoge Raad de bestreden beschikking en wees de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, voor een nieuwe behandeling en beslissing op het bestaande klaagschrift.
De beschikking werd gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
Uitkomst: Bestreden beschikking wordt vernietigd en zaak terugverwezen voor herbeoordeling met juiste maatstaf.