Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 november 2016, waarin hij werd veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld en diefstal. Het centrale punt betrof een misslag in het arrest met betrekking tot de last tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest voor zover het de taakstraf en vervangende hechtenis betrof, en tot vermindering daarvan.
De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over de misslag terecht was en herstelde deze. Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 uur tot 228 uur, en de vervangende hechtenis van 120 dagen tot 114 dagen.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor zover het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis betroffen, verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor een vierde vordering tot tenuitvoerlegging, en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd de procedure gecorrigeerd en de straf aangepast in het belang van een correcte rechtstoepassing.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest voor taakstraf en vervangende hechtenis en vermindert deze wegens misslag en termijnoverschrijding.