Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 februari 2019.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 februari 2018, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €45.000,- werd toegewezen. Deze ontneming betrof opbrengsten uit deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van afpersing.
Namens de betrokkene diende advocaat H. Bakker een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was, aangezien het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad bevestigde hiermee het oordeel van het Gerechtshof en wees het beroep af. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Van den Brink, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Schnetz.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering van €45.000,- blijft gehandhaafd.