Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
12 februari 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van ruim 24 miljoen euro, verkregen uit medeplegen van gewoontewitwassen en witwassen.
Betrokkene stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd of het wederrechtelijk verkregen voordeel was behaald vóór de wijzigingsdatum van artikel 36e Sr (1 maart 1993). De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en raadsheren Buruma en Van den Brink. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.